Fluisterverhalen             

oktober 2019   Blik op oneindig?!!

Al drie keer is het me nu overkomen en de laatste keer nota bene tijdens een wandeling met de honden. Ik loop door de velden en zie in de verte ....

een loslopende Mechelse herder aankomen. De baas volgt op gepaste afstand en ik roep vragend: ‘Is het een teefje?’ Het is namelijk zo dat Boef bang is voor reutjes van dat ras. Hij maakt dan onmiddellijk rechtsomkeert, steekt in paniek een straat over of gaat aan het dwalen.

Terwijl het baasje met een werpstok tennisballen voor zijn hond lanceert, heb ik de indruk dat hij iets terugroept en omdat Boef helemaal geen aanstalten maakt om ervandoor te gaan neem ik aan dat het inderdaad een teefje is.

Als we zo’n beetje op spreekafstand komen begin ik te vertellen over hoe Boef op Mechels kan reageren. Meneer kijkt mij heel even aan, bukt zich om een nieuwe bal te werpen en geeft zo te zien vrij uitgebreid antwoord, alleen kan ik hem niet verstaan. Tot op het moment dat we elkaar daadwerkelijk passeren, want dan hoor ik hem luid en duidelijk zeggen: ’Nee, het gaat vanmiddag regenen, dus we gaan met de auto en ik kom hem om half 3 halen’.

En druk verder pratend loopt hij mij met een compleet nietsziende blik voorbij.

Ontsteld kijk ik hem na: ‘potverdorie heb ik het weer niet in de gaten gehad!!’

Want ja, natuurlijk: oortjes, oortjes en oortjes, ondertussen zo klein en verfijnd geworden dat ze bijna onzichtbaar zijn en je het eigenlijk alleen maar aan de mens die ze draagt kunt zien, want die heeft zijn ‘blik op oneindig!’

Ik had absoluut beter kunnen weten, want een week ervoor was ik er ook al ingetrapt: ik loop links, fietser rijdt rechts en ik stop omdat het lijkt alsof de jongeman mij aankijkt en iets aan me wil vragen. Dus ik groet hem vriendelijk, maar met een uitdrukkingsloos gezicht racet hij mij al pratend voorbij. Ik sta even perplex op het trottoir, had vanuit de verte de oortjes niet gezien en neem me voor om een volgende keer beter op te letten.

De allereerste keer dat ik die stomme oortjes over het hoofd zag was in de supermarkt: er zit een meisje gehurkt voor het schap met blikjes en potjes. Terwijl ik daar met mijn winkelwagentje loop, hoor ik haar opeens geïrriteerd zeggen: ‘Ik kan die stomme tomatensaus nergens vinden!!’ Laat ik nou toevallig weten waar die staat, dus ik zeg tegen haar rug: ‘Volgende gangpad aan de rechterkant’. Valt ze opeens uit: ‘Nou, je zoekt het maar lekker zelf uit!’, staat op, stevent mij voorbij en stormt naar de kassa.

Oortjes, oortjes en oortjes, je komt ze overal tegen, ze zijn niet meer weg te denken.

Ze bieden grote voordelen, want zo heeft niemand meer last van andermans muziek, heerlijk toch, dat zou met mijn vroegere buren ook erg fijn zijn geweest! En neem nu mijn zoon, die fietst elke dag heen en weer van Bathmen naar Apeldoorn en om de tijd te doden belt hij af en toe met zijn moeder. Voorheen met de telefoon in de hand en nu vanwege de boetekans met telefoon in de zak en oortjes in.

Hij vindt het leuk om even over zijn werk te praten, voordat hij thuis weer papa is voor zijn vier kinderen. En ik blijf zo nog een beetje op de hoogte van wat er zich zoal in het onderwijs afspeelt. Het bellen met de telefoon gaf altijd erg veel ruis, vanwege de razende wind kon ik ongeveer de helft verstaan en de rest moest ik zo’n beetje raden. Nu we via de oortjes praten versta ik hem ietsje beter, de wind brult minder agressief in het microfoontje en ik hoor op de achtergrond alleen nog de passerende auto’s als krijsende geesten in een horrorfilm voorbij zoeven. Zoonlief vindt dat ik vreselijk overdrijf met deze klachten over de verstaanbaarheid, maar ja, wij zijn het dan ook altijd roerend met elkaar oneens.

Maar over één ding zijn we het wel eens en dat is dat ik ondertussen heel goed kan raden!

Want een vast item in al onze gesprekken is namelijk de vraag van hem: ‘Waar ben ik nu?’

En zonder dat ik weet op welk punt hij was toen hij ging bellen, want anders zou ik het nog een beetje via tijd kunnen inschatten, zeg ik dan wat er in mij opkomt: bij de Chinees, bij het benzinestation, onderaan de brug, bij het politiebureau, bij het winkelcentrum of noem maar op en daar is ie dan meestal ook echt!!

Ik heb hem gevraagd of hij dan nu ook zo’n blik op oneindig heeft tijdens het bellen. Hij denkt van wel en zei gekscherend: ‘Ik mag wel oppassen dat ze me niet ter plekke als een verwarde man oppakken en afvoeren, geen mens te zien en ik zit hier heel stellig voor me uit te praten’.

Als het regent zie je de oortjes al helemaal niet, die verdwijnen in de capuchon en ik heb hem verzocht of hij iets voor mij wil doen. Namelijk of hij… als hij ziet dat iemand, bijvoorbeeld tijdens het wachten voor een stoplicht, tegen hem terugpraat, die persoon dan even vriendelijk gedag wil zeggen.

Omdat ik weet hoe vreselijk onnozel je je dan kunt voelen en dat zou ie voor me gaan doen.

Maar lieve mensen blijf alert, want het feit dat iemand je aankijkt en tegen je praat wil dus helemáál niet zeggen dat ie het ook tegen jou heeft!!